Toen Kathedralen nog blank waren (5)

Le Corbusier Des Canons 900x720_2049_2011

 Waarom schrijven?

In het paspoort van Le Corbusier stond achter beroep: ‘Homme de Lettres’, in gewoon Nederlands: schrijver. Voor hem was het beroep van architect en urbanist niet ondergeschikt aan maar veeleer integraal onderdeel van zijn overige activiteiten en ambities als kunstenaar/intellectueel.

Hoe vermaard ook vanwege zijn architectuur: Le Corbusier was ook de auteur van meer dan vijftig boeken, honderden artikelen en duizenden brieven. Hij beschikte over een wereldwijd netwerk van correspondenten en deed in dat opzicht zeker niet onder voor zijn gesprekspartner in Vezelay: Romain Rolland.

De volle omvang en betekenis van Le Corbusier’s teksten is voor het eerst duidelijk geworden dankzij de diepgaande tekstanalyses van Christine Boyer in haar Le Corbusier, Homme de Lettres (2011). En dat geldt met name voor haar aanpak en interpretatie van Le Corbusier’s teksten (7 boeken!) uit de ‘bange jaren dertig’ en uit de daar op volgende periode toen in Frankrijk ‘de tijd stil stond’, die  van  de Duitse bezetting en het Vichy-regiem.

Le Corbusier Homme de LettresCCF16112017_00000

Het beeld dat uit haar analyses van Le Corbusier als architect, schrijver en activist oprijst is genuanceerd, onthullend en bij momenten ook ontluisterend. Ze schort haar oordeel voortdurend op, niet uit intellectuele terughoudendheid, maar juist om zo eerlijk en waarheidsgetrouw mogelijk te zijn. Wat een verademing, na de lectuur van de recente, quasiwetenschappelijke, moraliserende publicaties over ‘Le Corbusier Fasciste’ waar de architectuurjournalistiek in binnen- en buitenland met zoveel gretigheid in rond neust!

In de tweede helft van haar vuistdikke boek (10 en 11) volgt ze de denkrichtingen en projecten van Le Corbusier vanaf wat ze noemt ‘The Janus-Faced Thirties’’, de turbulente periode waarin Le Corbusier gelijktijdig de politieke regiems in de Sovjet-Unie (Moskou), Italië (Addis Ababa) en Frankrijk (Parijs, Algiers) bedient met ambitieuze projecten en programma’s die uiteindelijk allemaal panorama breed zouden worden gepresenteerd in het onder de aegis van het Front Populaire ingerichte Pavillon des Temps Nouveaux op de Wereldtentoonstelling te Parijs in 1937. In de laatste twee hoofdstukken volgt ze als een detective de wilde en grillige avonturen van Le Corbusier na de ineenstorting van Frankrijk in mei/juni 1940, zijn collaboratie met Maarschalk Pétain en diens Nationale Revolutie, en zijn brutalistische projecten voor ‘la maison des hommes’  in het bevrijde Frankrijk (Unité’s d’Habitation). Een ongehoord dynamische en vooral turbulente periode uit het leven van Le Corbusier waar overigens weinig sporen van terug te vinden zijn in Romain Rollands notities van zijn gesprekken met Le Corbusier in de jaren 1938-1942!

 Le orbusier Francois de Pierrefeu Maison de l'Homme 41

‘De geest van de jaren dertig’,

wordt in Frankrijk niet alleen beheerst door economische malaise, politieke instabiliteit en sociale onrust, maar ook door de opkomst van allerlei groepen jonge intellectuelen die op zoek waren naar de ‘geestelijke’ grondslagen voor een nationale wederopstanding en een nieuwe missie voor Frankrijk. Een generatie die weigerde te kiezen tussen  communisme en fascisme maar in haar afkeer van parlementaire democratie, politieke partijen en burgerlijke ‘decadentie’ vervaarlijk dicht in de buurt kwam van allerlei rechtse, reactionaire stromingen in de Franse cultuur. Zoals die van het anarcho- of revolutionaire syndicalisme van Georges Sorel wiens sociale en politieke filosofie tot en met de jaren veertig van grote invloed was, niet alleen in politieke maar vooral ook in artistieke en culturele kringen. Zo sympathiseerde Le Corbusier met allerlei vormen van neo-syndicalisme zoals gepropageerd in tijdschriften als Plans en Prelude. Werkte hij samen met redacteuren als Philippe Lamour, Norbert Bézard en Hubert Lagardelle – later, in de Vichy regering, minister van economische zaken – mee aan het formuleren van een doctrine (en het maken van een Plan) aan de hand waarvan een uitweg uit de economische en politieke malaise kon worden gevonden. Een route die via de gecollectiviseerde planeconomie van Sovjet Rusland en New Deal maatregelen uit kapitalistisch Amerika toch vooral uitkwam bij de op corporatisme en klassensamenwerking gebaseerde, planmatige economie van fascistisch Italië.

Le Corbusier Plans Revue 1931

Uit zijn artikelen in zowel Plans als Prelude blijkt zonneklaar dat Le  Corbusier niet gefixeerd was op de esthetisering van de daarin voorgestane, sociale en politieke doctrines maar dat hij overtuigd was dat hij als architect en urbanist de sleutel in handen had om die tot een concrete, ‘andere’ maatschappelijke werkelijkheid – orde –  te maken. Dat blijkt niet alleen uit de eindeloze herhaling van oude artikelen in nieuwe boeken als La Ville Radieuse (1935), ontegenzeggelijk zijn belangrijkste publicatie uit de jaren dertig. Maar vooral ook uit de gebezigde schrijfstijl: de taal van slogans, aforismen en manifesten en uitroeptekens. En, niet te vergeten, uit de dadaïstisch provocerende, dreigende opmaak met foto’s, tekeningen en wild over de bladzijden gemonteerde krantenkoppen. Schrijven is voor Le  Corbusier het middel bij uitstek om de wereld te overtuigen van de juistheid en urgentie van zijn doctrine en is dan ook complementair aan zijn activiteiten als ontwerper.

Le Corbuser Ville Radieuse Moscou verte

De verborgen lessen van het platteland

La Ville Radieuse wordt door Le Corbusier voorgesteld als een handleiding om de problemen op te lossen van de nieuwe beschaving in het Tweede Machinetijdperk. Die staat, in treffende parallel met de metaforen uit Ebenezer Howard’s Garden Cities of To-Morrow (1898/1902) , in het spanningsveldveld van twee krachtige magneten: die van de mens en van de natuur. En het platteland is het geografisch veld waar de historische wisselwerking tussen beide het meest actief en zuiverst waarneembaar is.

Bekend is de uitspraak van Adolf Loos:  Boeren hebben cultuur….architecten niet’. Hij bedoelde daarmee dat architecten, anders dan boeren en ambachtslieden, geen fysieke ervaring hebben met de bouwpraktijk. Ze benaderen het bouwen via kunstmatige handgrepen zoals tekeningen en modellen en onderhouden geen band met materialen en het ambacht. Ook Le Corbusier was vanaf zijn vroegste jeugd in de Zwitserse Jura gefascineerd door lokale en inheemse tradities op het gebied van wonen, bouwen en decoratie. Maar aan het begin van de jaren dertig ging die puur architectonische en stilistische interesse over in een veel fundamenteler onderzoek naar het platteland als proeftuin voor de wederopstanding van Frankrijk.

Le Corbusiser couv-la-ferme-radieuse-ba3bf94

In La Ville Radieuse schetst hij, niet zonder de nodige pathos,  de urgentie van een dergelijk onderzoek: ‘ Norbert Bézard, een landbouwer uit het departement Sarthe, schreef me verschillende brieven vol ongeduld waarin hij me met zoveel woorden toeriep: ‘ Le Corbusier, blijf toch niet steken in de stad. Je moet weten dat ook wij, landbouwers, de beschrijvingen van ‘De Stralende Stad’ niet zonder droge ogen kunnen lezen. Maar waarom krijgen wij niet de aandacht die we verdienen? En waarom kom je niet naar het platteland, naar onze boerderijen, velden en dorpen? In mijn dorp kwam tijdens het avondeten een draagbalk van de boerderij naar beneden en verpletterde een heel boerengezin! Hier wordt ieder huis bedreigd. Het platteland is in de greep van een fatale epidemie. De mist van wanhoop en ziekte benevelt niet alleen ieders hart maar heel het platteland.  Agrarisch Frankrijk is ziek en op sterven na dood. Kom op Le Corbusier, schenk ons een ‘stralende boerderij’ en een ‘stralend dorp’.

Legercorbu-goulotte-1937

Fernand Léger en Le Corbusier in Vezelay,  1937

Norbert Bézard was overigens niet zo maar een boer uit de provincie, maar militant syndicalist, bevriend niet alleen met Le Corbusier maar met vooraanstaande kopstukken uit kringen van Plans en Prelude als Pierre Winter en Philippe Lamour. Het was op diens uitnodiging (en kosten) dat Le Corbusier zich gedurende een half jaar terugtrok in het departement Sarthe ‘om de geheimen van het rurale bestaan te doorgronden’. Hij ontwierp er niet alleen een prototype van een rond het gezin georganiseerd, modern ingerichte boerderij (La Ferme Radieuse)j maar kwam ook met een plan voor de totale reorganisatie van het Franse platteland, met als kernstuk, hiërarchisch geordende, moderne dorpsgemeenschappen waarin niet alleen het wonen maar vrijwel alle facetten van het boerenbestaan (productie, transport, voorzieningen, cultuur) geordend zijn volgens uitgesproken coöperatieve uitgangspunten.

 Giono Colline 1929

Vezelay: ‘ville esthétique’

De ‘ontdekking’ van het  Franse platteland en de gemeenschappelijke voorstellen van Bézard en Le Corbusier voor  landbouwhervorming en landtechnische herinrichting zijn niet enkel een voorbeeld van moderne (fysieke) planning, maar maken vooral deel uit van een groots project van ‘social engineering’ van het rurale Frankrijk  aan de hand van syndicalistische ordeningsprincipes. Een sociaal-politieke ambitie die tijdens de oorlogsjaren door de regering Vichy met veel agrarische romantiek tot speerpunt van nationale wederopstanding en herstel van Frankrijk werd gemaakt. En waar Le Corbusier een leidende rol dacht in te kunnen spelen.

In de jaren dertig is voor Le Corbusier het dorpje Vezelay bij uitstek een voorbeeld van de gaafheid van het met de ondergang bedreigde, rurale Frankrijk en van de rijkdom aan gemeenschapscultuur die daar ligt opgesloten. In die zin is Vezelay ook prototype voor de ‘ Village Radieuse’  waar hij in die jaren aan werkte. Maar hij loopt in Vezelay niet onbevangen rond maar kijkt  en denkt met de brieven, pamfletten en manifesten van syndicalisten als Sorel, Valois en Lagardelle in de hand.

France Affiche_de_promotion_du_quotidien_l'action_francaise_(1931)

Valois en zijn sympathisanten waaronder Le Corbusier  grepen in hun politieke opvattingen terug naar wat Georges Sorel – de grondlegger van het anarcho-syndicalisme in Frankrijk – aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog had bepleit: een renaissance van de Franse ‘body politic’ door het omarmen van de anti-materialistische, intuïtieve waarden van de  verschillende maatschappelijke klassen. Waarden die geworteld zijn in het collectieve bewustzijn van zowel de (neringdoende) burgerij als van het (onbedorven) proletariaat. En die, dankzij hun eendrachtige samenwerking, ooit in de middeleeuwen hebben geleid tot de geboorte van de gotische kathedraal en – in een adem – van het militant katholiek nationalisme van Jeanne d’Arc. In Sorels teksten als ‘ De sociale aarde van de kunst’ (1901)  en vooral in diens ‘ Gedachten over Geweld’ (1908) worden de bouwers van de kathedralen verheerlijkt als anonieme arbeiders gedreven door groepsbesef en saamhorigheid en niet door individuele roemzucht en gewin. In die zin vergelijkbaar met de revolutionaire soldaat wiens heldendaden op het slagveld staan voor de gezamenlijke overwinning en niet voor een individuele beloning.  Dertig jaar later zegt Le Corbusier naar aanleiding van wat hij in Vezelay zag en aantrof –  de basiliek en het middeleeuws dorpsbeeld – precies hetzelfde maar dan in de taal van de architect en technocraat. In de eerste aflevering van deze blog citeerde ik een paar uitspraken uit Sur les 4 Routes (1941) , een pamflet dat hij in Vezelay redigeerde:

Ik ben al meer dan twee maanden in Vézelay en hoe meer ik, in dit regenachtig jaargetij, van drempel tot drempel, langs de ene gevel naar de ander loop, des te meer ervaar ik hoezeer harmonie dit ensemble bij elkaar houdt. Grootsheid is alom aanwezig, zowel door echtheid als intentie. Alles staat op zijn plek: de basiliek, de huizen van rijk en arm. Hier zie je gebouwen door mensenhand gemaakt om te dienen, geen luxe objecten door onverschillige lui neergezet aan de hand van willekeurige bouwtekeningen.

Ik denk opnieuw na over de absolute noodzaak om onze architectuuropleiding te hervormen. Studenten moeten weer in contact komen met het ambacht, materialen en vooral met de eenvoudige, welomschreven en respectabele  behoeften van het dagelijkse leven. Kortom, met menselijke verhoudingen.

Le Corbusier modulor 2

Een juwelenkistje op menselijke schaal

Maar het platteland en Vezelay in het bijzonder, zijn niet alleen een bedreigd waardevol cultuurgoed en proefmodel voor de harmonieuze (sociaal-politieke) ordening van de Franse maatschappij. Voor ogen die kunnen kijken – die van architecten en ingenieurs dus –  zijn het magische landschappen met verborgen wetten en instructies  hoe een dergelijke samenleving ook in het Tweede Machinetijdperk  zou kunnen worden gerealiseerd.

Toen Le Corbusier, lopend door de straten van Vezelay, nadacht over de hervorming van het architectuuronderwijs en de totale ‘renovatie’ van de architectuur als kunst in Frankrijk, dacht hij natuurlijk niet zozeer aan politieke of bestuurlijke-administratieve maatregelen, maar zocht hij naar een nieuw, universeel en zuiver architectonisch beginsel als uitgangspunt. In de periode dat hij afwisselend in Parijs, Piacé (aan de Atlantische kust) of Vezelay verbleef, was hij  als een componist door noten, als architect geobsedeerd door maten, proporties en verhoudingen. En  werkte hij, op empirische wijze, aan een nieuw systeem van verhoudingen en maten gebaseerd op de bekende  Gulden Snede. Een ambitieus project naar de universele mathematische grondslagen van de Tweede Eeuw van de Machine.

‘Hoe kan het dat in Vezelay de middeleeuwen en de moderne tijd zo naadloos in elkaar vervloeien? Hoe komt het dat de bewoners daar zo makkelijk en vrij mee omgaan? Vanwaar die generositeit, die intimiteit?’ Dat komt, zo proclameert Le Corbusier in La Ville Radieuse, door de alom tegenwoordigheid van de menselijke maat – ‘de ware dimensie van onze houdingen en gebaren waar ieder ding in de omgeving van is doortrokken en op is afgestemd’. Vervolgens wil hij de lezer doen geloven dat deze ‘ontdekking’ het gevolg is van een collectieve ervaring in een van de door Jean Badovici gerestaureerde, houten huizen in Vezelay: ‘we (d.w.z. Le Corbusier, Badovici, Leger, Raoul Simon, Ellen Gray, Matila Ghyka e.a) zaten daar in een soort van woonhol. Boven onze schouders zijn plafonds die met ons in evenwicht zijn. Onze blik naar buiten is gevarieerd en vol contrasten. Onze voetstappen  dynamisch en veerkrachtig. Alles is minutieus en tegelijk groots. Het is een juwelenkistje op menselijke schaal. Een weldadige plek van rust en beweging, van perfecte maatvoering en proporties. Een ruimte op menselijke maat. Harmonie. Ieder van ons had diezelfde ervaring en gaf dat ook volmondig toe’.

Le Corbusier Modulor Ascoral 195059958b91-637a-4f4f-9fcb-dfa199638ced

Of dit aandoenlijke tafereeltje nu verzonnen is of niet, historisch feit of een retorische figuur, het illustreert Le Corbusier’s obsessie voor maatvoering en proportiesystemen in relatie tot menselijke afmetingen, bewegingen en handelingen. Een belangstelling die in hoge mate gevoed werd door zijn dubieuze contacten in die jaren met de even gelauwerde als ‘foute’ bioloog, anatoom en chirurg Alexis Carrel (L’Homme, cet Inconnu, 1941).

In 1950 verscheen de eerste versie van dit onderzoek in boekvorm Le Modulor (MODULe/section d’OR): een lineaire of optische maatschaal van architectonische proporties, met toepassingsmogelijkheden op alle schaalniveaus van het architectonisch ontwerp. Dit boek – vol getallen, diagrammen en anekdotes – draagt alle sporen van de stormachtige tijden waarin het is ontstaan: die van de ‘geest van de jaren dertig’, van het ‘nazisme en landelijke idylle’ van het Vichy-regiem en, ten slotte, van het optimisme van het Frankrijk na de bevrijding. Drijfveer voor Le Corbusier – en voor vele andere ontwerpers zoals André Lurçat die zich gelijkertijd met architectonische proportionering bezighielden – was het behoud van de architectuur in een op serie, massa en reeks georiënteerde, (woning) bouwpraktijk. Een noodzaak die des te urgenter werd naarmate de oorlog en het bombarderen van steden dichterbij kwamen. Een toen de Vichy-regering zich bewust werd van de omvang en complexiteit van de komende bouwopgave, en in politiek-ambtelijke zin ook de nodige initiatieven begon te ontplooien, haastte Le Corbusier zich in 1941 naar Vichy om in dit proces een leidende rol te gaan spelen.

Maar net als de voorstellen van Le Corbusier en Bézard voor  hervorming van het landelijk gebied in Vichy nauwelijks weerklank vonden, zo stuitten Le Corbusier’s activiteiten in allerlei commissies voor standaardisering en normalisering op weerstand en verzet. Na achttien maanden vertrok hij in januari 1942 uit Vichy en zette in (bezet) Parijs, binnen zijn eigen bureau, een nieuwe organisatie op, ASCORAL oftewel ‘Assemblée des constructeurs pour la révolution architecturale’. Een nieuwe Franse CIAM groep waarin Le Corbusier samen met oude bekenden als Norbert Bézard, Alexis Carrel maar ook met jonge medewerkers als Gérard Hanning verder werkte aan zijn ‘coherente doctrine voor de totale menselijke omgeving’.

Leon Werth Journal-us-300

Toen de tijd stilstond

Het is niet bekend waar Romain Rolland en Le Corbusier – precies in de jaren dat de laatste keer op keer bot ving in Vichy – met elkaar over hebben gesproken. Rolland blijft in zijn notities tamelijk aan  de oppervlakte omdat hij zijn gesprekspartners achteraf niet in verlegenheid wilde brengen. Misschien ging het vooral over de evidente aanrakingspunten tussen de muziek en architectuur. Bovendien was Rolland in zijn beoordeling van zijn talrijke gasten – waaronder notoire collaborateurs e antisemieten als Alphonse de Châteaubriant – opmerkelijk mild en ruimdenkend. Rolland was weliswaar fel anti Vichy maar wantrouwde London en hield vast aan het uitgesproken anti-amerikanisme van links Frankrijk.

De voorname distantie en afstandelijkheid die Romain Rolland tentoon spreidt, valt pas goed op als we diens Journal vergelijken met dat van de joodse journalist en schrijver, Léon Werth die – noodgedwongen – de oorlogsjaren doorbracht in een dorp in de  Franse Jura. Diens Journal (Déposition, 1946) is totaal anders van toon. Werth neemt geen enkel blad voor de mond. Het Frankrijk dat hij beschrijft vergelijkt hij met een ‘afgebrande fabriek, waarvan alleen de klok aan de poort nog loopt’. Hij ergert zich aan iedere vorm van collaboratie – die van de Vichy autoriteiten voorop. Hoont de prelaten die met veel pracht en praal de maarschalk in hun kathedralen en basilieken ontvangen maar ook de geleerden van het Collège de France die weigeren solidair te zijn met hun opgepakte collega’s. Als journalist doorziet hij de sluipwegen van Vichy propaganda en de verraderlijke combinatie van nazisme en autoritaire technocratie. Maar bovenal : Werth stelt de valse romantisering van het platteland en het boerenbestaan aan de kaak en de autoritaire onderschatting zo niet minachting van de onafhankelijke, (politieke) overtuigingen van de boeren en hun gezinnen. Werth schrijft ook over architectuur, over moderne woningbouw aan de rand van Parijs, London en Berlijn. Over Le Corbusier geen woord, hetgeen erg jammer is, want ik had  graag zijn mening willen horen over Le Corbusier’s juwelenkistje uit Vezelay.

Vichy Petain Paysans

Verwijzigingen:

Schitterende en goed gedocumenteerde en geillustreerde recensie (en samenvatting) van Christine Boyer, Le Corbusier, l’homme de lettres, door Francesco Mazzaferro, in Letteratura Artistica (Engelse versie, 3 delen, november 2017)

https://letteraturaartistica.blogspot.nl/2017/12/le-corbusier28.html

http://letteraturaartistica.blogspot.it/2015/11/art-literature.html

 Cohen, J.-L. (2014). Le Corbusier’s Modulor and the Debate on Proportion in France. Architectural Histories2(1), Art. 23. DOI:http://doi.org/10.5334/ah.by

Mary McLeod, ‘Piacé. Ferme Radieuse  and Village Radieux’, in : Jean-Louis Cohen (ed.), Le Corbusier. An Atlas of Modern Landscapes, London 2013,  185-193

Piacé le radieux. Permanente expo over samenwerking Le Corbusier en Bézard m.b.t. landbouwhervorming en wetenschappelijk onderzoek naar modernisering boerenbedrijf. Ga naar: https://www.piaceleradieux.com/biographies/

Lucien Febvre, de Annales Historicus heeft en prachtig stuk geschreven naar aanleiding van de publicatie van Leon Werth’s Journal :Febvre Lucien. Une tragédie, trois comptes rendus (1940-1944). In: Annales. Économies, Sociétés, Civilisations. 3ᵉ année, N.
1, 1948. pp. 51-68;
http://www.persee.fr/doc/ahess_0395-2649_1948_num_3_1_1599

Voortreffelijk gedocumenteerde (en geillustreerde) site over feiten en achtergronden van het Vichy-regiem, zie: Alexandre SUMPF, « La Révolution Nationale ou le redressement de la « maison France » », Histoire par l’image [en ligne].  : http://www.histoire-image.org/etudes/revolution-nationale-redressement-maison-france?language=de

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s