Urbanisatie & Stadscultuur

Ed Taverne

Architectuur en Ascetisme

pier-vittorio-aureli-austerity

Vooraf

In mijn laatste blogs heb ik me bezig gehouden met een groep architecten die betrokken waren bij de Britse inzending Home Economics voor de vijftiende editie van  Architectuur Biënnale in Venetië. Ik raakte vooral gefascineerd door de installatie (‘ Months’)  van het team van Black Square (Maria S. Guidici) en Dogma, het bureau van Pier Vittorio Aureli en Martino Tattara. Dogma opereert op tal van fronten: architectuur, stedelijk ontwerp, planning. Integraal onderdeel van de activiteiten is (historisch) onderzoek , schrijven van boeken en artikelen en meewerken aan en bedenken van tentoonstellingen.

Pier Vittorio Aureli doceert o.a. in London (AA), Rotterdam/Delft (Berlage Instituut) en Princeton (Yale University). Hij is auteur van verschillende architectuurhistorische publicaties o.a. The Project of Autonomy, 2008 en The Possibility of an Absolute Architecture, 2011. In ons land is hij vooral bekend door zijn bijdragen aan het architectuurtijdschrift OASE. Ik beschouw hem als een van de meest interessante en vooral veelzijdige architectuurhistorici  en critici van dit moment. Een van zijn meer recente publicaties is een in boekvorm uitgegeven essay over architectuur en ascetisme (Less is Enough: On Architecture and Ascetism). Daarin gaat hij op zoek naar de actualiteit van ‘ minder’  als radicaal alternatief, niet alleen voor het huidige ontwerp maar ook de individuele manier van leven. En distantieert zich daarbij van de vele valse profeten van wat hij noemt ‘ austerity chic’. Ik lees het pamflet ook en  vooral in de context van DOGMA’s  bijdrage aan Home Economics (Months), waar Aureli en zijn team hebben laten zien hoe het metropolitane wonen/leven eruit zou kunnen zien in een van bezit, eigendom en gezinshuishouden’ bevrijde’ omgeving.

Less is Enough is een van de meest persoonlijke teksten die ik ooit van een architectuurhistoricus heb gelezen.  Het is ook  een tekst die naadloos aansluit op het denken over ‘ maken, bezit en gebruik’ van Giorgio Agamben waar ik eerder enkele blogs aan heb gewijd. Tenslotte, in deze tijden van (ontkenning) van klimaatverandering en van groeiende sociale ongelijkheid,  is dit een tekst met een hoge urgentie. Hieronder mijn vertaling van het inleidend hoofdstuk, hopelijk een voorzet voor een Nederlandse editie van de tekst op korte termijn.

dogma-aureli-asceticism-20-13

 

 

Minder is Genoeg

Over architectuur en ascetisme

Pier Vittorio Aureli

(Strelka Press: Strelka Institute for Media, Architecture & Design, Moscow/London 2013)

(niet geauthoriseerde vertaling)

Inleiding

Jarenlang was ‘Minder is Meer’ de slogan van  het minimalistisch ontwerp. Samen met de ingehouden architectuur van de Duitse architect, Mies van der Rohe die het indertijd ontleende aan een gedicht van Robert Browning, is ‘ Minder is Meer’ een lofzang op de ethische en esthetische waarden van een zelfopgelegde beperking in gebruik van architectonische middelen[1]

Mies’ ‘ uitgeklede’ architectuur waar vormexpressie gereduceerd is tot een eenvoudige compositie van ‘ readymade’ industriële elementen, wil niets anders uitdrukken dan dat schoonheid alleen ontstaat door het weglaten van alles wat niet ter zake doet. De laatste jaren – en vooral sinds de economische recessie van 2008 –  wordt ‘ Minder is meer’ weer opnieuw omarmd door critici, architecten en ontwerpers, maar dit keer met een licht moralistische ondertoon.[2]

Werd aan in de tweede helft van de jaren negentig en de eerste helft van de twintigste eeuw, de architectuur door de uitbundige dynamiek van de vastgoedmarkt opgestuwd tot de productie van steeds meer overbodige iconische gebouwen, vanaf het begin van de crisis  veranderde de situatie. Degenen die in de jaren daarvoor de architectonische acrobatiek nog hadden toegejuicht (of er zelfs aan hadden meegewerkt), spraken nu over schaamteloze verspilling van middelen en budgetten.[3] Deze omslag in sensibiliteit heeft twee soorten van reacties opgeroepen. Sommige architecten hebben geprobeerd om het ethos van eenvoud en zuinigheid te vertalen in louter formele termen.[4] Anderen wierpen zich op als pleitbezorgers van een meer sociaal georiënteerde benadering, en zochten naar nieuwe wegen buiten de traditionele grenzen van de architectuur.[5] Het is eigenlijk onjuist om deze beide posities op één lijn te stellen (hoewel de tweede meer plausibel is dan de eerste), maar wat ze gemeen hebben is de idee dat de huidige crisis de kans biedt om – wat de Italiaanse architect (en politicus) Stefano Boeri genoemd heeft – ‘meer met minder’ te doen.[6] En juist om die reden is het dat de slogan ‘minder is meer’ niet langer uitsluitend voor een esthetisch beginsel staat, maar veeleer de kern is van een heel andere ideologische boodschap, volgens welke een economisch gebruik van middelen niet alleen een ontwerpstrategie is maar ook een glashard economisch imperatief.

boeri-stefano

Binnen de geschiedenis van het kapitalisme geldt ‘ minder is meer’ bij uitstek als het toverwoord om de productiekosten te drukken. Kapitalisten hebben altijd geprobeerd om méér met minder te verdienen. Kapitalisme gaat niet enkel over kapitaalvermeerdering maar is ook, en vooral, de onweerstaanbare optimalisering van het productieproces naar een situatie waarin minder kapitaalinvestering leidt tot toename van kapitaalaccumulatie. Technologische innovatie wordt altijd gedreven door het imperatief om de productiekosten te verlagen, zoals de behoefte aan werknemers. Het hele begrip van nijverheid steunt op dit principe: nijver zijn betekent dat iemand in staat is de beste resultaten te bereiken met minder middelen.[7] Sterker nog: het laat zien hoe creativiteit aan de basis staat van elk begrip van industrie. Creativiteit hangt niet zozeer af van het vermogen van de ondernemer oplossingen te vinden om de productiekosten te beheersen, maar veeleer van de vaardigheid van arbeiders zich aan moeilijke omstandigheden aan te passen. Deze twee kanten van bedrijvigheid en creativiteit zijn onderling gerelateerd: de creativiteit van de arbeider neemt wetmatig toe naarmate het kapitaal besluit de productiekosten te drukken en de economische omstandigheden zich verslechteren. Inderdaad, het is de menselijke creativiteit – als het meest generieke vermogen van de mens – die door het kapitaal altijd is geëxploiteerd als belangrijkste arbeidskracht. Immers, in tijden van economische crisis, draaien de bezuinigingsmaatregelen steevast uit op de eis aan werknemers om met minder meer te doen: meer arbeid voor minder loon, meer creativiteit met minder sociale zekerheid. In de context van deze regel, dreigt de slogan: ‘minder is meer’  de cynische verheerlijking te worden van het ethos van  bezuinigen en van het snijden in de budgets voor sociale programma’s.

In wat hierna volgt wil ik me bezighouden met de staat van ‘minder’, niet door die te verwerpen maar door haar ambivalente karakter kritisch te analyseren. Zowel de ‘ minder is meer’ houding van ontwerpers als het ethos van de bezuinigingspolitiek lijken samen te komen in de traditie van het ascetisme, dat beschouwd kan worden als de praktijk van het zich onthouden van wereldse geneugten. In de afgelopen jaren is het ascetisme voorgesteld als zowel de ideologische als morele bron van bezuinigen.[8] Als belangrijkste argument voor de noodzaak om te snijden in publieke uitgaven wordt gezegd dat we te lang boven onze stand hebben geleefd en dat we, vanaf nu, de verwachtingen op een hogere, toekomstige welvaart en sociale zekerheid dienen te temperen. Alleen door het brengen van ‘offers’ kunnen we weer op het juiste pad komen en een economische nachtmerrie voorkomen. Ascetisme – in de gedaante van morele schuld –  is binnen de schulden economie een populair begrip. Immers, schuld gaat niet alleen over economie maar is eerst en vooral een moreel contract tussen schuldenaar en schuldeiser.

Lazzarato Indebted Man

Zoals Maurizio Lazzarato onlangs heeft uitgelegd, is de neoliberale economie een economie van subjecten en van  subjectieve factoren en waarheden en niet langer gebaseerd op de productie en ruil van goederen, zoals in de klassieke economie.[9] In het hart van het neoliberale project staat de ‘ fabricage van de mens met schulden’. We zijn allen schuldenaars: de consument die koopt en leeft op krediet; de gebruiker van (overheids) diensten van  de welvaartsstaat zoals gezondheidszorg of huisvesting. En de burger die leeft in een land met staatsschuld. Schuldenaar zijn betekent niet alleen iets aan iemand verschuldigd te zijn, maar genereert ook gevoelens van schuld en dus van onderdanigheid richting de kredietverlener. En het is precies deze logica van het krediet: het schuldgevoel van de schuldenaar en het verlangen naar vereffening die de aanleiding zijn tot het ontstaan van eigentijdse varianten van ascetische praktijken.

Daarin wordt ascetisme opgevat als onthouding en zelfbeheersing, als de bereidheid om het heden te offeren om de toekomst te  ‘verdienen’ – een instelling die de gebruikelijke religieuze betekenis overstijgt en meer te maken heeft met de ethiek van het ondernemerskapitalisme. In zijn befaamde boek De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme onderscheidt Max Weber binnen het ascetisme twee tradities: die van de binnen- en van buitenwereldse religies.[10] In de eerste impliceert ascese het zich terugtrekken uit de wereld, zoals in het geval van kluizenaars en monniken. In de buitenwereldse religies neemt ascese een meer wereldse gedaante aan en richt het zich op een levenshouding die zich bevrijdt van wereldse verlokkingen om zich volledig te kunnen wijden aan het ethos van werk en productie. Weber beschouwt de buitenwereldse ascese als een van de  belangrijkste bronnen van de ethiek van het kapitalisme. Met de opkomst van het Calvinisme treedt, aldus Weber, het ascetisme buiten de muren van het klooster en ontwikkelt zich tot een wijdverbreide mentaliteit binnen de stad. Ascese veronderstelt de onderdrukking van de natuurlijke neigingen en de overgave aan een strikte discipline van ethische rationaliteit. Voor Weber is deze ethische zakelijkheid zowel de hoeksteen van de burgerlijke levensstijl als bij uitstek ook de geest van het kapitalisme zoals  dat later manifest wordt in het economisch utilitarisme van Benjamin Franklin. In diens denken leidt ethische rationaliteit niet alleen tot vermeerdering van kapitaal, maar is het protestantse ethos van hard werken en sober leven een trancedenteel ethisch doel op zichzelf geworden.

Zo laat Weber zien hoe het ascetisme de weg heeft vrijgemaakt voor de grondige transformatie van het menselijke subject dat daarmee het vermogen kreeg het eigen ‘ ik ‘ voortdurend aan te passen aan de economische bewegingen van het kapitalisme. Aan processen die nooit worden opgelost – er is geen eind in zicht, noch in de bevrediging van de individuele behoeften en zelfs niet in het proces van louter kapitaalvermeerdering. Hoewel Weber’s gedachtegang een van de meest overtuigende analyses van het ascetisme is, heb ik in de volgende hoofdstukken toch voor een iets andere richting gekozen.

Weber de_protestantse_ethiek.jpg

Juist omdat het beoefenen van ascese gericht is op de verandering van het eigen ‘ ik’ , is het niet enkel een vorm van beheersing maar ook van verzet tegen de macht die het kapitalisme op mensen uitoefent.

Als we spreken over weerstand tegen macht, dan hanteren we dit begrip meestal als een ideologie of geloof, en zelden als een zaak van gewoonten, gedrag of zelfs van de meest bescheiden momenten van ons dagelijkse leven. Wat zo interessant is aan het ascetisme is dat het subjecten de ruimte biedt om hun eigen leven te beschouwen als de resultante van hun manier van doen om het vervolgens te (re)organiseren volgens een zelf gekozen patroon van gewoonten en regels. In dit proces spelen architectuur en vormgeving een rol als kader van zelfenscenering. En omdat ascese individuele personen vrij maakt om zich te concentreren op zichzelf als de essentie van hun eigen doen en laten, is ook de ruimte waarbinnen geleefd wordt gewijd aan het leven zelf en niet aan uiterlijk vertoon. Het is een architectuur die focust op bios als het meest generieke substraat van het menselijke bestaan. Zoals anderen al eerder hebben opgemerkt wordt ook de architectuur van het modernisme, met haar nadruk op hygiëne, comfort en sociale controle, van oorsprong gedreven door een bio-politieke logica.[11] Maar het is toch vooral binnen het ascetisme dat de enscenering van de leefwijze een expliciet gegeven is. Dat wordt bijvoorbeeld heel duidelijk in de geschiedenis van het monnikendom die laat zien hoe in de architectuur van het klooster een manier van leven tot in het meest intrinsieke detail gestalte heeft gekregen. Hoewel het monastieke leven zich uiteindelijk heeft voortgezet in disciplinaire en repressieve typologieën als het Hotel-Dieu, het ziekenhuis, garnizoen, gevangenis en zelfs de fabriek, was het oorspronkelijke doel van het ascetisch ideaal een vorm van onderling verkeer te creëren tussen mensen die zich bevrijd hebben van sociale verplichtingen die hen door de gevestigde orde werden opgelegd. En het is precies om die reden waarom deze traditie een paradigma is voor onze eigen tijd  waarin kapitaal niet alleen in toenemende mate een repressief gezicht heeft gekregen maar tegelijkertijd ook niet in staat blijkt te zijn om zorg te dragen voor haar ‘slachtoffers’ zoals in de hoogtij dagen van de welvaartstaat.

In de komende hoofdstukken zullen we zien dat het ascetisme niets te maken heeft met het koesteren van monniken in hun cel, maar, in tegendeel, als slogan is doorgedrongen tot in de verste hoeken van de samenleving, vanaf de logica van het kapitalisme zelf tot aan het concept van ‘ sociale’ huisvesting en de ideologische retoriek van het minimalistisch ontwerp. De vraag is of het ons ook kan brengen tot een levenswijze die anders is dan die welke ons door de gevestigde orde wordt opgedrongen.

pier-vittorio-aureli-austerity

noten

[1] ‘ Less is More’ is ontleend aan een gedicht van Robert Browning’s getiteld‘ Andrea des Sarto’, en werd door Mies  in verband gebracht met beheersing in een interview in de New York Herald Tribune van 28 juni 1959.

[2] Een interessante, kritische reflectie over hoe architecten hebben gereageerd op de economische bezuinigingen door die eenvoudig te vertalen in een formele esthetiek, zie: Jeremy Till, ‘ Scarcety  Contra Austerity’ in ‘ Places’, voor het laatst gezien in juli 2003, places.designobserver.com/feature/scarcity-contra-austerity/35638/

[3] Er zijn talloze voorbeelden van een overhaaste ommezwaai na de crisis van 2008. Het meest schaamteloze was het artikel van  de toenmalige architectuurcriticus van de New York Times, Nicolai Ourousoff met de veelzeggende titel:’ It was Fun Till the Money Ran Out’. Na jaren lang de wereldwijde successen van stararchitecten te hebben verheerlijkt,  sloot hij het jaar 2008 af met een loflied op een meer sociaal georiënteerde architectuur. Zie de  New York Times van 19 december 2008.

[4] Zoals in het geval van Rem Koolhaas en diens bureau. Precies een maand na het begin van de economische crisis lanceerde Reinier de Graaf – partner architectenbureau OMA –  een manifest: ‘ Eenvoud’ , waarin hij een ontwerp voor een zeven sterren hotel in Dubai in de vorm van een eenvoudige monoliet, presenteerde als een architectuur gericht tegen het spektakel van iconische gebouwen. Zie: Reinier de Graaf, ‘ Simplicity’ , in Hans Ulrich Obrist (ed), Manifesto Marathon, Serpentine Gallery (Cologne: Walther Koenig, 2013), 28.

[5] Zie: Nishat Awan, Tatjana Schneider, Jeremy Till, Spatial Agency: Other Ways of Doing Architecture (London: Routledge, 2011)

[6] Stefano Boeri, Fare di piu con meno (Milan: Il Saggiatore 2012)

[7] Voor een interessant filosofische beschouwing over het idee van ijver en nijverheid en de rol daarvan binnen de creativiteit van mensen, zie: Gerald Raunig, Factories of Knowledge, Industries of Creativity (Los Angeles: Semiotext(e), 2013), 111-22.

[8] Zie: Elettra Stimilli, Il debito del vivente (Maxcerata: Quodlibet, 2011).

[9] Zie: Maurizio Lazzarato, The Making of Indebted Man (Los Angeles, Semiotext(e), 2012, 31.

[10] Max Weber, Protestant Ethics and the Spirit of Capitalism (London: Penguin 1095/2002).

[11] Zie: Sven-Olow Wallenstein, Architecture and Biopolitics (New York: Princeton Architectural Press, FORuM Project, 2008)

Enkele verwijzingen:

Informatieve recensie van recente publicaties van Pier Vittorio Aureli:

http://viewfrommadrid.blogspot.nl/2014/02/pier-vittorio-aureli-less-is-enough.html

info over The Possibility of an Absolute Architecture, ga naar:https://mitpress.mit.edu/books/possibility-absolute-architecture

Over Pier Vittorio Aureli en diens werk voor OASE:

http://www.oasejournal.nl/nl/Contributors/PierVittorioAureli

Biografische en vooral bibliografische gegevens op website AA London:

http://phd.aaschool.ac.uk/faculty/pier-vittorio-aureli

Overzicht van de architectuur en onderzoek van ontwerpbureau Dogma, zie de AA tentoonstelling in 2013:

http://pr2013.aaschool.ac.uk/EXHIBITIONS/dogma11Projects

Hoe en waar te bestellen? Ga naar de website van het Strelka Instituut:

http://www.strelka.com/en/press/books/less-is-enough-on-architecture-and-asceticism

Douglas Spencer heeft een kritische beschouwing gewijd aan van Aureli’s  begrip van ‘ autonome architectuur’ . Ga naar de Academia pagina van de auteur voor een pdf. Samenvatting op de de blog:

https://spatialregister.wordpress.com/2015/07/14/architectures-franciscan-turn/

Advertenties

Eén reactie op “Architectuur en Ascetisme

  1. Alex Hendriksen
    4 december 2016

    Interessant!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht is geplaatst op 3 december 2016 door in Stadsgeschiedenis.
%d bloggers liken dit: