Urbanisatie & Stadscultuur

Ed Taverne

Wat is Architectuur (4)

‘ How can architecture be responsibly practiced today?’
Venice fund logo

De Architectuur Biënnale 2014 lijkt, achteraf gezien, vooral een prestigestrijd te zijn geweest tussen enkele gerenommeerde (Amerikaanse) architectuuropleidingen, in het bijzonder tussen die van Harvard (HGSD) en Columbia University (GSAPP). Vanuit Europa werd een belangrijke bijdrage geleverd door Stephen Trüby (Technische Universitãt München), tussen 2012-2014 verbonden aan de Graduate School of Design, Harvard University, en in die functie samen met Koolhaas/AMO en Dean Mohsen Mostafavi verantwoordelijk voor het wetenschappelijk onderzoeksprogramma van de Biënnale. In een interview in uncube, 25 juni 2014 zegt Trüby over het basisconcept van de ‘ Elements’ expo: ‘ dat het de bedoeling was om de architectuur bijna microscopisch te isoleren en te analyseren als een volstrekt op zichzelf staand fenomeen. Zoiets als een ‘ drone’ afkomstig van een andere planeet en bij toeval gecrasht in een woestijn. De architectuur wordt op de Biennale 2014 als een soortgelijk mechaniek systematisch uit elkaar gehaald waardoor het DNA kan worden opgespoord en geanalyseerd. Het is wel de bedoeling om daarna alle elementen weer in elkaar zetten en misschien ook wel op een andere manier’ .Ook benadrukt hij dat die deconstructieve arbeid niet exclusief bedoeld is voor architecten en ontwerpers maar ook tot lering en vermaak van het grote publiek. Vandaar ook de bewuste scheiding tussen de strikt analytische en vooral technische opzet en presentatie van het onderzoek (de 15 bijsluiters) en de bijna verrassend ongedwongen en instructieve sfeer van de de expo in het centrale paviljoen. Ik zelf vind daarom het beeld van de demontage van een ‘ drone’ in een woestijn minder toepasselijk en kies voor de historische metafoor van de ‘anatomische les’ waarin het analytisch ‘fileren’ en theatraal vermaak in één beeld worden samengevat. Maar voor Truby en Koolhaas is dit vermoedelijk geen acceptabel beeld: het impliceert immers dat de patiënt reeds is overleden, terwijl beiden het geloof in een ‘ andere’ architectuur en architectonische cultuur nog niet schijnen te hebben opgegeven.

     2(69)

Ik heb al eerder gezegd dat er tot nu toe vanuit architectuurhistorische hoek weinig of geen commentaar of kritiek op het onderzoeksprogramma en de drie expo’s is gekomen. Het enige echt hout snijdende artikel is van de hand van Sarah Wiiliams Goldhagen, architectuurcritica voorheen (eveneens) verbonden aan de Graduate School of Design van Harvard University. In haar artikel ‘ The Great Architect Rebellion of 2014’ attaqueerde zij het door Koolhaas in zijn opdrachtbrief aan de 65 deelnemende landen gehanteerde moderniteitsbegrip en de daaraan gekoppelde, historische narratieven, als zijnde te politiek en te dominant ideologisch geladen. Geheel in lijn overigens met hoe Jean-Louis Cohen de ‘ Future of Architecture Since 1889’  (2012) ziet, pleit ze, in plaats daarvan, voor een minder fatalistische visie op de geschiedenis van globalisering en modernisering, en vindt in de verrassende presentaties van een groot aantal landen (Bahrain, Albanië, Uruguay, Zuid-Korea, Brazilie) de bevestiging van haar eerder gelanceerde concept van een ‘ situated modernism’  zonder daarbij terug te vallen in de valkuilen van het kritisch regionalisme van Frampton of Tzonis. De architectuurgeschiedenis vanaf 1914 is, in haar opvatting, geen verzameling van narratieven over mondiale vervlakking en uniformering van de gebouwde omgeving door modernisering en globalisering en ook niet van lokaal verzet en van aanpassingen of voetnoten bij het moderniseringsproces. In hun rebellie tegen Koolhaas hebben de curators gezamenlijk een onvergetelijk panorama gepresenteerd van de contemporaine architectuurgeschiedenis waarin juist de rijkdom en veelkleurige inventiviteit van het architectonische modernisme zelf, zichtbaar wordt: het onder verschillende condities en culturen zoeken van architecten en opdrachtgevers naar de grenzen van de architectuur en het architectenvak en van de fundamentele heroverweging van het daar bij behorende gereedschap van technologie, geometrie, constructie en materialen.

5(34)

Fundamental #13: Real Estate as Infrastructure as Architecture

Het spreekt vanzelf dat de door Koolhaas/Trüby voorgestelde selectie van elementen van de architectuur, veel discussie heeft uitgelokt. In de loop van het proces is zelfs, mede als gevolg van deze kritiek, het aantal van 13 opgevoerd naar 15. De belangrijkste en meest ingrijpende – en overigens niet ‘ gehonoreerde’ – toevoeging is tot nu toe gekomen uit de hoek van Reinhold Martin, o.a. directeur van het Temple Hoyne Buell Center for the Study of American Architecture van Columbia University New York. Als reactie op de tijd- en plaatsloze, universele  elementen van de architectuur zoals die in het centrale paviljoen werden voorgesteld, schuift Martin economische fundamenten naar voren, te beginnen met die van de grond waar gebouwen op staan, en zonder welke er van architectuur geen sprake is. Intrigerend is dat ook Martin, net als Koolhaas, de condities waaronder ontworpen en gebouwd wordt benadert vanuit een ethisch perspectief. Koolhaas denkt daarbij vooral aan het voor de architectuur, destructieve dictaat van een nieuwe, universele drie-eenheid: die van comfort, veiligheid en duurzaamheid. Martin is minder vaag en retorisch en onderzoekt hoe de architectuur – zowel als ontwerpproces en bouwpraktijk – een centrale plaats inneemt in eigentijdse vormen van globalisering en neoliberale economische strategieën. En in die positie zowel ethische, sociale als politieke verantwoordelijkheden oplegt. Weliswaar vindt ook hij, net als Koolhaas, dat de architectuur weer terug moet naar de basis – en dat geschiedenis daarvoor een bruikbaar instrument is – maar zegt tegelijk dat Koolhaas met de gepresenteerde collectie van ‘global histories’ van afzonderlijke elementen als deuren, ramen, dak en gangen, daarbij lang niet ver genoeg gaat. Voor hem is Koolhaas’ lijst van elementen niet veel anders dan een catalogus van nuttige architectonische producten, gestouwd op de planken van de geschiedenis. Sterker nog, hij is van oordeel dat de analyse van de 12 (15) elementen geen enkel inzicht geeft in de werkelijke relatie tussen architectuur – het bouwen – en mondiale globalisering.   ‘Globalisering vindt enkel plaats via kapitaal, data en informatie’ is een bekende uitspraak van literatuurcritica Gayatri Chakravorty Spivak, eveneens verbonden aan Columbia University (The Aesthetic Education in the Era of Globalization, 2012). Vertaald naar de wereld van de bouw betekent het, aldus Martin, dat in architectuur globalisering uitsluitend plaats vindt via de markt van onroerend goed. Al het andere – lees de 12(15) elementen van de architectuur –  is van toegevoegde waarde en een vorm van schade- en risicobeheersing.

Martin Utopia's Ghost

Dat klinkt als een quasi-marxistische fantasie en voor wie bekend is met wat Reinhold Martin tot nu toe, in allerlei combinaties, gepubliceerd heeft, is dat ook geen verrassing. Ik ga hier niet in op de evidente richtingenstrijd tussen verschillende opvattingen over de constructie van de geschiedenis van de recente architectuur. Vooral omdat het duo Koolhaas/Truby op het vlak theorie en methode weinig mededeelzaam is. De Biënnale 2014 ging over architectuur – niet over theorie, sociale ongelijkheid, locatie, urbanisatie of vergelijkbare onderwerpen. Hier concentreren we ons op de ‘ andere’  d.w.z. een vanuit het fundament van grond en vastgoed ontwikkelde, visie op de essentiële componenten van de architectuur. In Martins gedachtegang zijn elementen als bijvoorbeeld het toilet niet zozeer als object of door hun vorm maar juist door hun ‘ werking’ (doortrekken, spoelen, rioolafvoer), kortom als infrastructuur een fundamenteel architectonisch element. Infrastructuur wordt hier gedefinieerd als als iets dat zich steeds  herhaalt. Elke keer als we de kraan opendraaien of het toilet doorspoelen, herhaalt zich het ‘ water- en afvoersysteem’. En de herhalingen van de infrastructurele voorzieningen en faciliteiten binnen het huis of gebouw zitten onlosmakelijk vast aan die welke het regiem van de grond waar het op staat bepalen. Iedere keer als een gebouw wordt gekocht of verkocht, herhaalt zich het systeem van onroerend goed. Tegelijk wordt door iedere transactie het systeem bevestigd en weer geprikkeld waardoor er weer nieuwe panden/huizen worden gebouwd die, op hun beurt niet gerealiseerd kunnen worden zonder architectonische technieken waardoor ze vorm en structuur krijgen of zonder de verhalen die aan die objecten waarde geven.

Aan het einde van zijn essay levert Reinhold Martin een beknopte bibliografische handleiding voor het onderzoek naar de geschiedenis van de intrinsieke samenhang tussen architectuur – met name die van de huisvesting – en onroerend goed, in het bijzonder in de Verenigde Staten (zie link) . Het is een product van The Temple Hoyne Buell Cener for the Study of American Architecture, waar Reinhold Martin directeur is.

House Housing

House/Housing: An Untimely History of Architecture and Real Estate in Nineteen Episodes

Buell Center for the Study of American Architecture was, weliswaar ongevraagd, ook aanwezig op de Biënnale 2014 in Venetië. In de maand juni vond op de derde étage van de Casa Muraro de eerste publieke presentatie plaats van een nieuw onderzoeksproject: House Housing: An Untimely History of Architecture and Real Estate in Nineteenth Episodes. De presentatie vond plaats in de vorm van een tentoonstelling die frontaal reageerde op het door Koolhaas gekozen Biënnale thema ‘ Fundamentals’ en de daarin besloten these over de 12 (15) elementen als ‘ de fundamenten van gebouwen waar iedere architect, waar en in welk tijdvak dan ook, vertrouwd mee is’ . In het House Housing project ligt de focus op de economische fundamenten van de architectuur, een provocatie die huisvesting/woningbouw in het hart van het huidige economische regiem situeert waarbinnen de Verenigde Staten als invloedrijke knoop binnen een transnationaal netwerk figureert. In de begeleidende brochure legt Reinhold Martin nog eens helder en compact uit, hoe de wetten van het vastgoed – grondacquisitie, bouwfinanciering, exploitatie, projectontwikkeling – onverbiddelijk zowel de vorm van een afzonderlijk bouwelement zoals een raam, deur of trap bepalen als ook het type van het gebouw zelf (huis, kantoor etc.). Die wetten zijn zelfs zichtbaar tot in de woonarchitectuur van gerenommeerde architecten, van Frank Lloyd Wright tot Frank Gehry. Niet verwonderlijk overigens omdat het Griekse woord oikos of huishouden, de wortel is van het woord: economie. Maar wat zich voordoet als fundamenteel of natuurlijk is in werkelijkheid, net als iedere wet, een historisch artefact dat permanent onderhevig is aan verandering.

Dit verhaal werd in Venetië verteld aan de hand van 19 ‘ discrete’ episodes waarin niet de historische lineariteit voorop stond maar wel de ‘ eeuwige’ terugkeer en herhaling van steeds dezelfde thema’s, tendensen en krachten in steeds weer andere figuraties. Verhalen over projectontwikkeling, grondtransacties, huisvestingspolitiek en woonarchitectuur. Over geweld en ‘ gated communities’ , over federale wetgeving, Frank Lloyd Wright en het suburbane wonen of over Life Magazine en de Amerikaanse varianten van Goed en Goedkoop Wonen. Verhalen die verteld werden via ‘ huiselijke’ media als televisie, , telefoon, antwoordapparaat, ,I-Pad die, geheel in de geest van de ‘ echte’ Biënnale, de Casa Murari transformeerde in een fluisterend woonhuis.
Venice Biennale  House Housing expo

De Installatie House Housing was een eenmalige gebeurtenis, maar op de website (zie link) staan alle 19 episodes goed beschreven en gedocumenteerd. Tezamen met andere projecten van het Buell Center – zoals dat over de Foreclosure Crisis uit 2008 (MOMA) illustreert dit onderzoeksproject de toenemende academische belangstelling voor de intrinsieke samenhang tussen vastgoed economie en architectuur, een belangstelling die o.a. geleid heeft tot nieuwe opleidingsprofielen aan (Amerikaanse) architectuurscholen (zie Volume, #42, 2014) maar die ook een impuls kan geven aan een ‘ andere’ geschiedschrijving van architectuur en urbanisatie. Daarover in een volgende blog meer.

Relevante links:

essays van resp. Sarah Williams Goldhagen en Reinhold Martin:

https://placesjournal.org/article/fundamental-13/

House Housing Project van The Temple Hoyne Buell Center (Columbia University)

http://buellcenter.org/#

http://house-housing.com/#slideshow

http://www.commentsonforeclosed.com/#

recensie: ‘ Koolhaas’ missing Fundamental is alive and kicking in House Housing Exhibition’

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht is geplaatst op 28 januari 2015 door in Stadsgeschiedenis.
%d bloggers liken dit: